Zeven gedichten voor Emma Hauck

57

onherroepelijk ben ik onderdeel van deze keten geworden

Lena Claessen

onherroepelijk ben ik onderdeel van deze keten geworden

I.

in de wet bijzondere opnemingen in psychiatrische instellingen
werd tot tweeduizendtwintig gesproken van een inbewaringstelling

wie een gevaar is voor zichzelf of anderen moet z.s.m. worden geconserveerd

een burgermeester pakt de handen van de waanzinnige vrouwen
als een bos klaprozen aan, trillende stengels
waarover besluiten worden genomen

hun saturatie wordt samen met hun hartslag gecontroleerd
op afwijkingen of dingen die op afwijkingen wijzen
of genoteerd staan als dingen die op afwijkingen wijzen

een rechter schuift in de richting van de vrouwen een weckpot over tafel
de houdbaarheidsdatum van wie niet bewaard wil worden
wordt door een fermentatieproces met minimaal drie weken verlengd

II.

ik zou willen dat ik vanuit puur esthetisch opzicht
over inbewaringstellingen kon schrijven

zoals over knommelen en trommelen en woorden
die van flinterdun plexiglas zijn waardoorheen
ik de gestalte van hun synoniemen zie staan

maar telkens als ik probeer de klank te ontlopen
het alfabet preventief als een cyclisch gebed voor me uit prevel
blijf ik in de amen hangen — amen amen amen

mijn lichaam heeft zich al gebogen in de kromming
die ik me tegen ieder beter weten in eigen heb gemaakt

aan het eind van de gang van de gesloten instelling
hangt een lage mistbalk, staat nog altijd een groep vrouwen
me aan te kijken, in hun handen de weckpotten waarin hun miniatuurversie
in slaap wordt gezongen met een eeuwenoud wiegenlied

de vrouwen knikken naar me, volgens de volgende stap in de choreografie
die ik onbewust tot in het kleinste detail beheers, knik ik ze niet toe
maar met ze mee