Zes poëtische reacties op bestaande gedichten

56

Wachtkamer

Thijs Joores

Hoe maak je een eigen antwoord op een gedicht? Op de meest recente Vuurlanddag schreven Vuurlanders in korte tijd een gedicht als reactie op een bestaand gedicht dat ze aansprak. In deze reeks lees je zes resultaten daarvan. In deze aflevering: Thijs reageert op ‘Crater Lake’ van Louise Glück uit de bundel Averno (2006).

Sommige dichters bewonder ik omdat hun gedichten veel betere en originelere versies zijn van wat ik zelf soms probeer te maken. Andere dichters maken werk met zoveel zeggingskracht dat ik het wel goed móét vinden, ook al voel ik in principe totaal geen verbinding met het soort poëzie dat ze maken. Louise Glück valt voor mij in die tweede categorie. Ik heb weinig met natuurgedichten, maar Glücks bundel The Wild Iris blies me omver. En hier reageer ik op ‘Crater Lake’, een allegorisch gedicht over goed en kwaad dat er op de een of andere manier in slaagt om níét hoogdravend te zijn. Hoe heeft ze dat nou weer voor elkaar gekregen?

*

Wachtkamer

De ziel had de dood niet direct herkend.
De dood had een nieuwe gedaante aangenomen;
die leek goed.

Het lichaam kon de confrontatie maar slecht hebben,
was zichtbaar uit het lood geslagen.

Met korte tussenpozen ploften magazines
op elkaar neer. Een vaasje klaprozen
spatte op de tegels uiteen.

De ziel verzamelde de steeltjes,
pikte het groen tussen de scherven vandaan,
wist niet wie had gegooid
en of dat nog een verschil maakte.

Hoe kwamen ze weer naast elkaar te zitten,
het lichaam en de dood, als in eenzelfde
hoek gewaaide bladeren, een beginnend geritsel

toen het lichaam als eerste werd geroepen
om binnen te komen –