De dromerige visser zit onderuitgezakt in zijn witte vissersboot. Hij rookt de ene sigaret na de andere. Vissers herleven pas wanneer de zeedieren het meest bedrijvig zijn, in de vroege of late schemeruren. Nu schijnt de middagzon loodrecht op het water. De visser dagdroomt samen met zijn aas en de golven. Hij tikt de as van zijn peuken in de zee, alsof ze na al die tijd geen ontzag meer verdient.
Voor een klein bedrag wilde de visser mij meenemen. Hij heeft de boot zojuist tot stilstand gebracht, op een plaats waar de zee genadig lijkt. Het stilworden van de motor verspreidt zich over het wateroppervlak, heiligt de omgeving. Nergens om ons heen is land te zien. Ik ga op de bootrand zitten en doe een snorkelbril aan. De siliconen randen zuigen zich vast aan mijn oogkassen. Daarna duw ik het mondstuk van de snorkel achter mijn lippen. De lucht die ik via deze buis binnenkrijg is me dierbaarder dan ooit.
Ik gooi mezelf in de deiningen. Onder mij schieten glimmende vissen heen en weer langs de koraalriffen. Ze negeren elkaar. Zolang ik niet te dichtbij kom, schenken ze ook mij geen aandacht. Ze hebben niets nodig. Doods drijf ik op de waterspiegel, zodat mijn adembuis naar de hemel gericht blijft. Mijn schaduw dreigt over de bodem, verdonkert de kleuren. Tussen de heimelijke vissen zwemt een papegaaivis, een log beest met lichtgevende fluotinten. Hij is oogverblindend. In zijn gezicht herken ik een ziel: het verlangen in zijn witblauwe ogen, de veelzeggende vissenmond. Hij zwemt ongedwongen voort. Zo soeverein heb ik een vis nog nooit zien bewegen. Meestal zie ik hoe volle visnetten over de kust van het vissersdorp worden gesleept. De beesten vechten voor hun leven met hun klapperende staarten. Of ik slenter de marktkramen voorbij, waar luide verkopers de buigzame vissenlijken in hopen uitstallen. Daar is alleen nog doodsangst in hun blik te lezen. Ik ruik hoe ze stilaan wegrotten in de hitte.
Ik duik dieper in zee, recht naar beneden. De snorkel loopt meteen vol. Ik houd mijn adem in en probeer het zoutwater niet in te slikken. Mijn oren knellen. Ik hoor hier niet thuis. De zee blijft mij onverbiddelijk naar boven duwen, een aanslag van het water op mijn zondige longen. Zelf doet de zee altijd waar ze zin in heeft. Ze stoot af wat ze wil afstoten en houdt begerig vast wat ze wil houden. Zelfs de zon ontsnapt niet aan haar greep. Het water vangt het licht in lange zonstrepen, tot op de bodem. Op mijn terugtocht naar het droge zwem ik door de strepen heen, omdat zij het enige in de onderwaterwereld zijn dat me herinnert aan waar ik vandaan kom.
Ik kom boven en hap naar adem. Opeens klinkt het bovenzeese fel en luid. De visser reikt mij een zongebruinde hand aan. Zijn rokershuid hangt slap over zijn arm heen. Hij trekt me op de boot en zet de motor aan. Zwijgzaam dobberen we terug richting het vissersdorp. De oude man heeft slaperige ogen, maar hij lijkt tevreden in zijn boot. Hij geniet van het troostende wiegen, als een kind.
Ik vraag me af waarom de visser zoveel van de zee houdt. Nog geen enkele keer heeft hij over de bootrand gekeken of met zijn hand aan de golven gevoeld. Liefst blijft de oude man droog. Hij staart alleen maar naar de wolken en de rook die hij vanuit zijn borst de hemel instuurt. Dagelijks haalt hij de zee naar het droge, met een sierlijke zwaai, waar de vissen sidderen en spartelen. De lucht moet vederlicht voor hen voelen. Hun kronkelingen zijn zinloos zonder weerstand. Ik stel me een oneerlijke strijd tussen de visser en de zeewezens voor, hoe zijn knokige lijf breed gaat staan en hij gewapend op de koppen klopt. Daarna boent hij het bloed op zijn boot schoon met een emmer zeewater. Zelfs dan put hij uit de zee.
We meren aan op de kust. De oude visser helpt me vriendelijk van boord. Ik geef hem zijn geld en wat fooi, waarop hij even zijn tanden voor mij ontbloot. Ik wandel naar huis om het zoute water van mij af te spoelen, samen met mijn overmoed. Volgzaam druipen de douchestralen over mijn lichaam.
Rond zonsondergang verzamelen de vissers op het strand, ontwaakt uit hun dagdromen. De mannen schateren geheimzinnig terwijl ze hun boten klaarmaken. Ze varen uit op het oranjerode water.