II

Toen ik eenmaal met het koppel aan de praat was geraakt, bleek de man uit Rotterdam te komen en de vrouw uit Doorn – beide plaatsnamen werden uitgesproken met een toepasselijke ‘r’. Met de man voelde ik dan ook gelijk een beetje verwantschap. Als wij ons niet braaf aan het hitteadvies hadden gehouden, was de kans groot geweest dat ik ‘’Hand In Hand, Kameraden’’ had ingezet.

‘Maar hoe kennen jullie elkaar dan?’ vroeg ik. 

‘Van hier,’ zei de man. Hij had donkergrijs krulhaar dat er vettig uit zag in de gele schemering. Door de gel of – en dat leek me waarschijnlijker – doordat hij vanwege de massa’s mensen bij de douches net zoals wij al twee dagen niet had kunnen douchen. Op zijn lange, brede gezicht waren de baardstoppels goed zichtbaar. Het was niet Teddy’s soort man. Hij was luid, ontvankelijk voor aandacht, iemand die in de kroeg opmerkingen tegen zijn vrienden maakte die in onze generatie niet meer door de beugel kunnen. Dat ik hem knap vond zou ik dan ook voor haar verzwijgen.

‘We hebben elkaar in de rij bij de toiletten ontmoet,’ vulde de vrouw hem giechelig aan. 

Teddy en ik keken vanuit onze ooghoeken naar elkaar. Waren dat dezelfde stinkende, kleverige Dixies waar wij de halve dag in de rij hadden gestaan? Als we ergens chagrijnig en onbenaderbaar van werden, dan waren het wel de plastic hokjes waarin de uitwerpselen van duizenden mensen lagen te koken in de zon.

‘Hebben jullie elkaar vandaag ontmoet?’ vroeg Teddy ongelovig. Het was de eerste keer dat ze iets tegen het koppel zei. 

‘Gisteren.’ De man grijnsde breed. 

‘Dus nu dachten jullie, laten we samen gaan kamperen?’ Ik keek de man uitdagend aan. 

‘O nou gister ook al hoor! Maar toen  haar huisje. We wisselen het af.’

Naast ons, aan de andere kant van het gangpad, zaten drie meiden van onze leeftijd aandachtig naar het gesprek te luisteren. Alle drie droegen ze cowboylaarzen, een kort rokje en een hoodie. Hockeyvriendinnen, gokte ik. Eén van de meiden besloot zich in het gesprek te mengen. Haar haar hing in een lange, strakke vlecht over haar schouder. 

‘Wel met consent toch?’ vroeg ze. 

‘Met wat?’ De ogen van de man lichten op. Zowel de man als de vrouw als ik leek het  vanzelfsprekend te vinden dat nog iemand zich in het gesprek mengde. Alleen Teddy zat star naast me en keek uit het raam, hoewel dat  door het donker buiten en het licht binnen meer als een spiegel werkte. 

‘Consent,’ legde het meisje met de vlecht uit. ‘Dat zij weet dat jij met haar wil en jij weet dat zij met jou wil.’

‘O, ja!’ zei de man. ‘Het is hier één groot liefdesconsent. Consent at Sea.’Tevreden lachte hij om zijn eigen grap. 

‘Maar wat dachten jullie?’ vroeg ik. ‘Tinder doet het niet meer. Dan maar een festival. Kijken wie er nog meer single en ready to mingle is? Misschien kunnen wij nog wat van jullie leren.’ 

De man keek glimlachend naar de vrouw die aandachtig aan de rits van haar laars zat te peuteren. Haar witblonde haar viel voor haar gezicht. Toen we net in de bus waren gaan zitten had ze een paar keer naar de buschauffeur geroepen dat hij muziek aan moest zetten. Even wat leuke hits om de avond goed mee af te sluiten. We zaten voor in de bus, dus hij moet haar gehoord hebben, maar aan het gebral van dronken festivalgangers had hij zo te zien geen boodschap meer. We moesten het doen met het geroezemoes van de andere mensen om ons heen. 

‘Jullie zijn toch niet getrouwd?’ Het meisje met de vlecht boog zich verder over het gangpad heen. 

‘Zij wel. Ikke niet,’ lachte de man, alsof hij daardoor volledig onschuldig was. Hij leunde achterover en rustte zijn achterhoofd tegen het raam. De vrouw glimlachte schaapachtig, de hockeymeiden wisselden geen blikken, maar lachten met de man mee. Een warm gevoel kietelde mijn keel. Met een schuin oog keek ik naar Teddy. Ze klemde haar kiezen op elkaar. 

‘En waar is jouw man dan nu?’ Het meisje wendde zich tot de vrouw. Ik was blij dat zij het vroeg. ‘Is die nog thuis? In Doorn?’

De vrouw knikte. Haar wangen waren rozig. Een tijdje viel het gesprek stil doordat de man zijn telefoon op moest nemen. 

‘Hallo? Ed. Ja nee, ik zit nu in de bus. Nee, de andere bus. Jij hebt mijn bandje toch. Ja, wij zijn onderweg naar de camping. Had jij nog die fles rosé geregeld?’ De vrouw boog zich naar de man toe en riep in zijn telefoon:

‘Ja. Ed. Rosé. Ik wil rosé! Ik heb dorst!’

Ik vroeg me af of het koppel de waarheid sprak, of ze niet de draak met ons staken. Of deze geweldig vreemd busrit niet iets te mooi was om waar te zijn.