Vijf klassieke korte verhalen naar het moderne herschreven

45

Herbert Ernest Bates

Robin van Ommen

Omdat ik niet zo getalenteerd of intelligent ben als de reuzen in de literaire geschiedenis, vind ik het in mijn vrije tijd leuk – en leerzaam – om op hun schouders te staan door korte verhalen te herschrijven naar moderne versies. Daarbij stel ik vragen: hoe zouden zij omgegaan zijn met digitalisering? Welke woorden hadden ze juist wel, of juist niet, durven schrijven? Welke beeldspraak kan écht niet meer, welke karaktertrekken zijn nog steeds pijnlijk relevant? Wat is zeitgeist, wat is de menselijke natuur zelf? In deze reeks vraag ik aandacht voor het korte verhaal van vroeger en hoop ik een conversatie te voeren over wat tijdelijk en wat tijdloos is.

Same Time, Same Place

In Same Time, Same Place speelt Herbert Ernest Bates (1905) met schaamte en ijdelheid, vormgegeven in verslagen twee oude besjes die allebei kampen met problemen: Miss Treadwell, een statig dametje dat geen cent te makken heeft maar kostte wat het kost de schijn op wil houden; Harry Thornhill, een bij zijn kwaadaardige zus inwonende alcoholist. Als ze elkaar toevallig ontmoeten en Harry in Miss Treadwell een ontsnapping van de toorn van zijn zus ziet, lijkt het kaartenhuis van de leugens van Miss Treadwell in elkaar te vallen – en kiest ze schande boven schaamte.

Het origineel weeft dermate vakkundig dialoog en objecten met metaforische betekenis dat herschrijven uitdagend was. Niet alleen om moderne elementen te vinden die net zo vernuftig waren, maar ook om nieuwe of andere vertelvormen te vinden. Daarom heb ik bij dit verhaal gekozen dicht bij de bron te blijven en juist te spelen met karakterisatie: Miss Treadwell is nu een hustle culture-influencer die de boel bij elkaar liegt; Thornwell is nu een in alimentatie gevangen man met een midlife-crisis. If anything: een kans om de Instagram-generatie op de hak te nemen. 

Lees het originele verhaal:
Klik hier!

Work hard, play hard

Boven alles – álles – is je personal branding belangrijk. Of, dat zei Melanie tegen zichzelf. Er waren allerlei teleurstellingen in het leven, niet alles ging altijd zoals je hoopte en al zeker niet vanzelf, maar ondanks dat moest je blijven hustlen – aan je image blijven werken.

Melanie hield niet van kleren kopen; ze hield van kleren terugsturen. De bruine Jack Wolfskin-overjas had niet alleen het voordeel dat ze er heel goed mee voor de dag kon komen, maar ook dat ze de kaartjes aan haar merinowollen trui – Teym – onder die jas kon verbergen, zodat de hele handel binnen de veertien dagen retour kon. Hetzelfde gold voor haar sportsetjes: Under Armor, GymShark of Lululemon. Na haar vijftien jumping jacks, waterdruppels uit de plantenspuit op haar voorhoofd en tientallen kiekjes, konden ze terug in de doos. En had ze haar brand bijgewerkt.

Al haar volgers dachten dat ze fantastisch woonde, afgaande op de foto’s op Instagram – een penthouse dat ze voor één nacht op AirBnB had gehuurd en dat ze liefkozend mi casa pequeña noemde. Haar échte kamer, een groezelig studiootje in een buitenwijk van de stad in een gebouw dat ze deelde met zeventien studenten, had nauwelijks ruimte voor het eenpersoonsbed, de IKEA-kast uit de koopjeshoek, het tweedehands tafeltje dat naar kattenpis stonk en de kookplaat met een enkele pit op de tafelmodel koelkast. Maar dat maakte niets uit. Als ze al in de kamer was om te koken, at ze pasta, rijst of havermout. En dat kon prima op één pitje. 

Elke avond, rond vijf uur, haalde ze coffee-to-go van haar favoriete tent, maakte er een foto van – met de wekelijkse fashion update – en fietste daarna supermarkten, groothandels, restaurants (en op dinsdag en vrijdag de markt) af om een kijkje in de vuilcontainers te nemen. Bizar wat je daar allemaal kon vinden: bakken fruit, overgebleven yoghurt, prima rijpe groenten, halve broden of zelfs, met geluk, een blik soep. Dat noemde je Dumpster Diving. Heel hip, iedereen deed dat tegenwoordig – en het scheelde wat geld op de wekelijkse toelage die haar bewindvoerster toestond; ook al wist ze niet waar ze het allemaal voor deed, want die creditcardlening van vijf jaar geleden leek geen spat te minderen. 

In de weekenden keek ze bij het Leger Des Heils, de Vintage by Kilo en de lokale kringloopwinkel naar fraaie hebbedingetjes (waar je op Vinted nog wat aan kon verdienen) en op de maandag daarna vroeg ze bij nachtclubs, restaurants en cafés of ze toevallig ‘haar’ make-up hadden gevonden. Mensen waren sloddervossen: lippenstift van Rimmel, foundation van Esteé Lauder (zo goed als in haar huidskleur!), concealer van L’Oreal, en zelfs een cleanser van The Ordinary. Na het vinden van dat laatste had ze een Thank You-post gemaakt, in de hoop op sponsoring – maar marketing had tot nu toe niks van zich laten horen.

Niet lang nadat ze die tube van The Ordinary had gevonden, had ze een regelrechte vuilcontainer-pechdag. Op haar gebruikelijke route had ze niks gevonden en bovendien was het verschrikkelijk koud; mensen trokken de ritssluitingen van hun jassen omhoog, de bomen waren kaal als gabbers en de lucht was eeuwig grijs; wat de stad in contrast liet, alsof de helderheid van het beeldscherm drie tikjes omlaag was gezet. Het ergste van alles: ze was door de honger wat gespannen. Haar slapen masserend probeerde ze haar gezicht uitdrukkingsloos te houden; stress, daar kreeg je rimpels van.

Pas op de laatste stop van haar wandeling, de ALDI ten zuidoosten van de stad, in de vinexwijk net voorbij de IKEA, trof ze iemand die haar voor was bij het plunderen van de vuilcontainer. Zijn leren jack en helm hingen over het stuur van de rood-zwarte motor die voor de container stond geparkeerd. Terwijl Melanie de container naast hem opentrok – het waren er vaak twee, drie op een rij – bespiedde ze hem. Hij had een volle baard, de wang on point geschoren. Op de motor zat geen spatje modder. Mannen met een verzorgd uiterlijk, en zeker met motors, kon je vertrouwen. De man rekte zich uit, propte spulletjes in een rugtas en sloeg de container dicht. Daarna bleef hij rustig een sigaretje staan roken. Omdat ze niet te gretig over wilde komen, rommelde Melanie nog een volle minuut tussen de kartonnen dozen, voordat ze zei: ‘Sorry, mag ik?’
‘O – tuurlijk.’ De man stapte opzij. ‘Ik heb het meeste er al uit gevist. Ben je vegetariër? Ik heb linzenburgers.’
‘O – wie het eerst komt, wie het eerst maalt.’
‘O – nee, ik eet ze niet. Er zat ook glutenvrije pasta bij – en niet om het één of ander – maar jij ziet er wat havermelkerig uit.’
De man trok twee pakken Valess Linzenburgers uit zijn rugtas en gooide ze op de klep van de container. Melanie moest toegeven dat ze inderdaad van glutenvrije pasta hield en daar enthousiast van werd. Maar na die opmerking over havermelk wilde ze dat niet laten blijken.
‘Ja, ach. Als jij het niet eet.’ Ze ritste haar rugtas open om de burgers erin te stoppen. ‘Mooie motor, trouwens. Kawasaki?’
De man nam een lange trek van zijn sigaret. ‘Ja – inderdaad.’
‘Is dat niet een KLR?’ Ze sloeg haar jas nog een keer om haar lijf.
‘Een KLR,’ herhaalde hij. Hij klopte op het zadel. Daarna keek hij haar aan. ‘Jij bent de enige vrouw die ik ken die iets van motors afweet.’
Melanie vertelde dat haar vader en broers motorgekken waren, dat ze, of ze dat nou had gewild of niet, de kennis met de paplepel was ingegoten en dat ze altijd een Kawasaki van een Honda kon onderscheiden – zelfs in het donker. De man met de leren jas gaf haar een lange, stille blik van bewondering.

Ze praatten een tijdje over motoren. Toen hij haar een foto liet zien van een nieuwe Royal Engfield waar hij zijn ogen op had, zag ze dat hij een doorzichtig hoesje om zijn telefoon had, met daarin, op de achterkant, een overbelichte polaroidfoto. Er was niets op de foto te zien, behalve een blauwgroene waas.
‘Heb je daar nou een mislukte foto?’
‘O – ja, grappig, hè?’
De man met het leren jack draaide de telefoon om, zodat Melanie de foto goed kon bekijken.
‘Een blauwe vlek?’
‘Of groen, heb ik me laten vertellen.’
‘Is het zo’n foto waarbij de kleur voor iedereen anders is?’
‘Nee, hoor. Het zijn mijn zoontje en ik, op zijn vierde verjaardag. Dit is de enige foto die ik van hem heb waar ik zeker van ben dat wij er allebei op staan. Maar daar moet je in geloven. Misschien is het juist wel beter dat hij niet te zien is.’
Melanie probeerde in de wazige foto silhouetten te onderscheiden. Verhip, nu ze beter keek, waren dat geen contouren? Was die vlek een t-shirt? 
‘Kan je geen nieuwe foto maken?’ 
‘Helaas,’ zei de man. Hij keek naar de grond. ‘Ik heb geen andere – en mijn ex-vrouw zit me al genoeg op de nek dat ik er niet om wil vragen.’

Melanie wierp een vluchtige blik in de vuilniscontainer, rommelde er wat in rond, maar vond niets van waarde. De man, achter haar, vroeg: ‘Woon je hier in de buurt?’
‘Ja, verderop.’
‘Heb je kinderen?’
‘Nee, geen kinderen.’
‘O – niet getrouwd, ook?’
Melanie moest lachen. ‘Trouwen is niet van deze tijd.’
‘Je hebt helemaal gelijk. Gezeur, dat krijg je ervan. Ruzies, losse eindjes, om over advocaten maar te zwijgen. Elke dag dat ik haar niet spreek, is een goede dag.’
Opnieuw keek Melanie naar de wazige foto. Ze moest toegeven: het was héérlijk anders.
‘Is het niet saai zonder kinderen? Waar spendeer je je tijd aan?’
‘Allerlei dingen!’ Melanie toverde haar Instagram-feed erbij. De man in het leren jack gooide hoge ogen over haar volgersaantal, het penthouse en haar kledingkeuze. ‘Ik ben sort of een influencer – hashtag girlboss! Dan is er nog mi casa – het opruimen daarvan alleen al kost me een halve dag. Verder bachata-lessen, astanga-yoga, eetafspraken met vriendinnen. En, nu ja, hier en daar wat scrollen op de socials – niemand is perfect.’
De man klopte op het zadel van zijn motor. ‘Ik vind dat single bestaan maar lastig. Jij hebt dat aardig onder de knie.’
Melanie veegde een lok achter haar oor. 

Het gesprek ging over van alles en nog wat, of eigenlijk: hij stelde vragen en zij antwoordde, terwijl Melanie door de vuilcontainer zocht. Ze vond niets, was dankbaar voor de pasta en vegaburgers. De man keek op zijn horloge – een zilverkleurige? Rolex? – en zei: ‘Goed, vamonos. Vanavond de kleine halen en – o wee, o wee – als ik niet op tijd ben.’

De man in het leren jack sloeg een been over het zadel. Na driemaal de motor laten gieren, vroeg hij naar haar Instagramprofiel. Direct nadat hij de hoek om was verdwenen, opende ze de applicatie en zag via het volgverzoek dat hij Huib heette, van wedstrijdzwemmen hield en onlangs een motorreis langs de Trans European Trail had gemaakt. Ze spotte ze een foto van zijn woonkamer: veel boeken, weinig planten.

De daaropvolgende maanden ontmoetten ze elkaar steeds bij dezelfde vuilcontainer, dezelfde tijd, dezelfde dag van de week. Het bleef koud; Melanie bestelde nieuwe sjaals, overjassen, wollen wanten, verschillende mutsen.

‘Het is feest,’ zei Huib, de hagelstenen van de containers vegend. Al drie maanden maakten ze nu wekelijks een praatje.
‘O, waarom?’
‘Het is voorbij!’ Hij lachte luid. ‘Ze heeft een nieuwe. Geregistreerd partnerschap, alles. Goodbye alimentatie, baby. Het wordt tijd voor die nieuwe motor.’
Melanie dacht aan dure motoren.
Huib stak zijn hand uit. ‘Gaan we samen naar de showroom? Zoek jij er ook eentje uit.’
Melanie keek weg. Daar was ze nog niet helemaal aan toe.
‘Wat is het probleem, je zit toch niet krap?’
‘Ik ben er gewoon nog niet over uit welk merk ik mooier vind.’

Huib klopte op het zitje achter de zijne en Melanie dacht aan het potje havermout dat ze thuis nog in de koelkast had staan en de drie jurken die ze nog op Vinted moest zetten. Goed, dat kon allemaal wel wachten.

Op de terugweg van de dealer, waar Huib en Melanie samen hadden gekeken naar prachtige Yamaha’s, Kawasaki’s en Triumphs, stopte Huib bij Bar Cinq. Het was al avond en achter de ramen schudde een barman twee ijzeren schudbekers naast zijn oren luid ratelend heen en weer.
‘Drankje doen?’ jubelde Huib, ‘Ik voel me een vrij man.’
‘Het is een doordeweekse dag.’
‘Om twaalf uur is het donderdag – en dan is het al zo goed als weekend.’ Huib duwde de deur open. Melanie, die nooit geld had voor cocktails, of laat staan een avondje uit, keek de begeerlijk de schemerige ruimte in, waar de zachte jazz en het geroezemoes overstemd werden door het gerinkel van ijsblokjes in cocktailbekers. Nu ja, voor één keertje kon wel, toch?

Ze gingen naast een grote spiegel zitten. De barman, in een wit overhemd en met een leren schort voor, bracht hen de kaart op een clipboard. Het menu stond vol cocktails met onconventionele namen zoals Monkey’s Madness en Midnight Espresso.
‘Zeg het maar,’ zei Huib. ‘Waar hou je van? Zoet? Sterk? Of een wijntje, dat kan natuurlijk ook.’

Melanie liet zich door de barman helpen er eentje uit te kiezen; zoet, zei ze, niet te gek. Maar toen het glas eenmaal op tafel stond – een glas in de vorm van een apenschedel met een gigantisch stuk grapefruit op de rand – maakte ze er snel een foto van. Bij de eerste slok sneed de alcohol door haar keel als een gesuikerd mes en plakten haar lippen een tikkeltje aan elkaar, een laagje waar ze een aantal keer met haar tong overheen moest om het weg te likken.

Huib had een sterk geurend, bitter drankje besteld. ‘God, alsof ik weer vijfentwintig ben.’ Hij liet het ronde ijsblok tegen het glas rinkelen. Hij schoffeerde de naam van zijn ex-partner, met wat krachttermen erbij. ‘Waarom kan ze me niet gewoon een wekelijkse voogdij geven, in plaats van een weekend eens in de twee weken?’

Melanie, die zich al een tijd had afgevraagd waarom hij zijn zoontje niet vaker wilde zien, en die de opmerking al weken voor zich had gehouden, gooide het er na drie slokken toch maar uit.
‘Wat? Ik zie mezelf al aankomen – “Hebben we al niet genoeg rekeningen van de advocaat, Huib? Moeten we nóg een keer om tafel, Huib? Je kan onze zoon niet nog meer veranderingen aandoen.” – o ja, want dáár houdt ze van, om Ruben erbij te halen, om het hele gevecht over hem te maken.’
Hij nam een flinke slok, waarna het glas alweer half leeg was.
‘En wie denk je dat de advocaten betaald heeft – die zij wilde – ook al hadden we besproken het tussen ons te houden?’ Hij wees overdreven naar zijn eigen borst. ‘C’est moi, oui, oui.’

Melanie nam een paar bescheiden slokjes. Daarna keek ze op de kaart – en zag triomfantelijk dat de cocktails meer dan een derde van haar weekbudget kostten, daarna bekeek ze zichzelf in de spiegel; het glas was bijna zo groot als haar gezicht.
‘Weet je, er is zo’n verhaal: een man koopt een auto in de naam van zijn ex-vrouw en parkeert die op het vliegveld, zodat de vrouw drie jaar later een rekening van honderdduizend euro in parkeerboetes krijgt. Zal je zeggen, daar heb ik over nagedacht.’
Melanie moest lachen. Ook al wist ze niet of het écht grappig was.
Huib leegde zijn glas en knipte naar de barman.
‘Nog eentje?’ 
‘Nee, dat is echt niet -’
Maar Huib bestelde alweer. ‘Grote glazen, hoor je? En extra scheut in de mijne.’

Hij vertelde dat zijn ex-vrouw nooit dronk; ze hadden elkaar tijdens de studie ontmoet – toen wilde ze nog wel wat uit de band springen – maar na het kopen van het huis was het met de pret gedaan. Hij wilde eindelijk eens wat me-time. Avontuur, pret, la dolce vita. Dat snapte Melanie vast wel – en hij verwees naar haar penthouse.
‘Het leven is een feestje,’ zei Melanie, het bodempje van haar cocktail wegwerkend. ‘Je moet zelf de slingers ophangen.’
Huib knikte en legde zijn hand op de hare. ‘Zullen we gaan? Samen? Vanavond wil ik op avontuur.’

De alcohol bonsde in haar lijf, haar handen waren warm, ze moest steeds lachen – ook al zei niemand iets grappigs. Avontuur, daar hield ze wel van. Als hij betaalde, tenminste. Bij die opmerking stond Huib op, nam de drankjes voor zijn rekening en zei dat hij wilde dansen. ‘Dan kun je me een lesje geven. Bachata.’

Ze zwalkten langs dronken studenten, groepjes boerenkroost, nachtportieren en, hier en daar, een stelletje. Huib sloeg een arm om haar heen, zij leunde tegen hem aan, helemaal warm in haar tenen. Hij rook prettig: nootmuskaat en menthol. Na de vierde kroeg – de Donovan’s, een latinclub waar de mannen allemaal losse joggingbroeken droegen – duwde Huib haar buiten tegen de muur van het steegje voor de club, een paar meter van de rokende jongeren.
‘We moeten dit vaker doen, véél vaker, ik wil elke avond wel met je vuilnisbakken.’

Zijn adem stonk naar drank. Ze duwde hem naar achter, bekeek zijn gezicht, de volle baard, de donkere ogen, bevoelde het jack – van écht leer – en dacht aan de motor waar zie die middag op had gereden, de cocktails die ze had gedronken, updates waarmee ze vandaag aan haar brand had gewerkt.
‘Je bent rough.’
Hij duwde zich weer tegen haar aan. ‘Melanie, Melanie, jij bent zo anders dan mijn ex-vrouw. Kunnen we vanavond niet een stapje verder gaan?’
‘Verder?’
‘Eén nacht,’ lispelde hij, ‘En pannenkoeken bij het ontbijt.’
Hij maakte aanstalten om haar te zoenen, maar ze dook uit de weg.
‘Neem me maar mee naar huis, dan.’
Huib glimlachte als een aap en frunnikte met haar rokje, maar aarzelde iets te zeggen. Hij keek tweemaal weg. Pas na een paar minuten zei hij: ‘Mijn zoontje slaapt thuis.’
‘Wat bedoel je?’
‘Nu ja, we kunnen toch naar jouw huis? Heb altijd al over de stad uit willen kijken vanaf een penthouse.’

Melanie’s maag balde samen. Naar haar huis? Alsof haar leven ervan afhing, wurmde ze zich uit zijn omhelzing en nam haar telefoon uit haar zak, scrollend over haar feed zodat ze hem niet aan hoefde te kijken.
‘Kom,’ maande Huib.
Melanie keek hem geërgerd aan, drie seconden, ging daarna weer door met scrollen.
‘O – ik heb niet opgeruimd.’
Huib lachte. ‘Wat zou dat?’
‘Nee, het kan écht niet.’ Melanie keek over haar schouder om erachter te komen hoe ver het naar het uiteinde van de steeg was. ‘Misschien een andere -?’
‘Wat? Nu niet terugdeinzen, het werd net gezellig.’
Melanie stak haar handen in haar zakken.
Huib viel over zijn zatte woorden. ‘Morgen dan? Of overmorgen? Anders wacht ik wel even buiten, dan kan je het even aan kant maken. Vind ik niet erg, hoor. Laten we dit mooie moment niet lopen -’
‘Dag, Huib,’ zei Melanie. En ze begon te lopen, met stevige passen, langs de jongeren, naar de straat. En bij de straathoek begon ze te rennen. Harder dan haar branding haar toeliet, harder dan Huib die tegen de muur van de steeg knalde, harder dan één van de hakken van haar net uit de doos getrokken stiletto’s aankon, waardoor die afbrak, zodat ze die zeker weten niet meer terug kon sturen. Ze hield pas stil ze de voordeur van de overloop van het studentenhuis in het zware slot had laten vallen en Huib op internet op alle mogelijke manier had geblokkeerd.

Daarna ging Melanie nooit meer Dumpster Diven. Nu had ze een wekelijks tripje voedselbank, wat óók hip was, al had de mainstream dat nog niet opgepikt. Elke keer, ook al ging ze met geheven kin naar binnen, zette ze toch haar zonnebril op en strikte ze een sjaaltje om haar hoofd, en keek ze achterom, of niemand haar naar binnen zag gaan. Ze wilde toch haar imago hoog houden. En je brand, ja, dat was belangrijk – boven alles.