In de kijker: tien schrijvers laten zich inspireren door elkaars foto

711

De Baan van Eden (2)

Dara Bazelet

Tijdens de afgelopen Vuurlanddag namen alle Vuurlanders een foto mee en gaven die door aan elkaar, zonder erbij te vertellen wat het verhaal bij de foto was. In deze reeks lees je welke teksten ze bij de voor hen onbekende foto hebben geschreven. Deze week: Dara Bazelet schrijft een verhaal bij de foto van Elisa Verkoelen, deel 2.

*

De volgende les sta ik als eerste naast Jaap op het ijs. We wachten tot iedereen er is. Joke is er als laatste. Ze staart weer naar het ijs met glazige ogen. Jaap houdt zijn hand niet omhoog zoals bij de rest. Hij schaatst naar haar toe en geeft haar een hand. Joke grijpt zijn hele onderarm, drukt zichzelf trillend tegen Jaap aan en schuifelt met hem naar de muur.

Jaap houdt weer een saai praatje waarin hij doet alsof we hier allemaal voor de lol zijn. Ik ben hier niet voor de lol, denk ik. Ik ben hier om te winnen.

Ik begin zodra Jaap zegt: ‘Hát-zikideej,’ en schaats iedereen voorbij. Ik schaats voorop. Dit ga ik aan opa vertellen: ‘Ik ben toch Friezer dan we dachter. Nog Friezer dan iemand die Joke heet.’

Mijn benen maken nog langere halen dan de vorige keer. Ik hoor het strijkorkest, de vogel die meefluit, ik zou zelfs mijn ogen kunnen sluiten zonder te vallen. Het is alsof de tijd niet bestaat en ik kan de beker warme chocomel al ruiken vanaf hier.

Maar dan zie ik een propje verderop op de baan. Een propje mens. Ze ligt met haar buik op het ijs en haar hoofd omhoog. De lange jas en de hoge muts verraden het: Daar ligt Joke.

Ik heb nog niet zo goed geleerd hoe ik moet remmen, dus ik schaats naar het hek dat om de baan heen staat, steeds langzamer, en pak de rand vast als ik bij Joke ben. Ze huilt.

‘Joke,’ zeg ik.

Ze stopt met huilen, alsof ze nu pas doorheeft dat ik naast haar sta. Langzaam draait ze haar hoofd naar mij. Ik kan haar gezicht zien. Met een hand blijf ik het hek vasthouden, mijn andere hand steek ik naar haar uit.

‘Alleen mijn hand pakken hè! Niet mijn arm.’

Joke knikt. Ze gaat plat liggen, rolt op haar rug, schuift zichzelf dichter naar mij toe over het ijs, gaat rechtop zitten en pakt mijn hand vast.

‘Een, twee–’ en ze komt omhoog.

We staan tegenover elkaar naast het hek. Joke kijkt omlaag. Ze snikt. Haar gezicht is bleek en haar neus is rood. Er druipt snot uit. Ik vind haar ineens heel zielig. Ik besluit haar mijn geheim te vertellen.

‘Joke,’ zeg ik nog eens. Ze zegt niets maar ik weet dat ze luistert. ‘Ik ga je iets vertellen. Ik weet hoe je beter wordt in schaatsen.’ Ik probeer zo serieus mogelijk te praten zodat het tot haar doordringt. ‘Er zijn een paar dingen die je moet doen. Een van die dingen is dat je lang op één been moet staan en dan lang op het andere been. Zoals Jaap.’

‘Dat kan ik niet,’ zegt Joke. Ze kijkt nog steeds omlaag.

‘Iets anders is, dat je moet doen alsof er een vogel naast je vliegt. Die vogel gaat je helpen. En je moet doen alsof je ergens anders schaatst. Ergens waar je graag wilt zijn. In een bos, of in Friesland.’
‘Hoezo zou ik in Friesland willen zijn,’ zegt Joke.

‘Daar kom je toch vandaan?’

Joke schudt haar hoofd. Ik begrijp het niet. Ik wil vragen waar ze dan wel vandaan komt en waarom ze dan zo heet, maar ik bedenk me dat dit niet te lang moet duren. Mijn moeder heeft misschien alvast chocomel gehaald.

‘Nou ja. Ergens anders dan. En je moet doen alsof iedereen vindt dat je fantastisch schaatst. Dan komt het goed.’

Joke is stil.

‘Dan krijg je hem te pakken,’ probeer ik.

Ze reageert niet.

Ik vraag of ze meegaat om het rondje af te maken en ze schudt haar hoofd. Ze draait zich om, blijft het hek vasthouden, en schuifelt langzaam richting de uitgang. Dan pas begrijp ik het: Joke wil helemaal niet leren schaatsen. Joke is te bang om dood te gaan. Dat is waarom ze zo oud is en het nog steeds niet kan.

Als ik naast mijn moeder op het bankje zit te kijken naar de schaatsbaan, en in mijn beker met chocomel blaas, vertel ik haar over Joke.

‘Blijkbaar kunnen niet alle Nederlanders schaatsen,’ zeg ik. ‘Misschien wil Jaap wel dat alle Nederlanders kunnen schaatsen, en geeft hij daarom les. Omdat hij wil dat meer mensen naar zijn baan komen. Maar blijkbaar willen niet alle Nederlanders leren schaatsen.’

‘Jij toch wel?’ zegt mijn moeder.

‘Jawel,’ zeg ik.

De rest van de middag kijken we naar anderen op de schaatsbaan. Als er iemand valt, lachen mijn moeder en ik met onze hand voor de mond, zodat ze het niet zien. Ik denk aan Joke en aan mijn buurmeisje, die vast ook niet kan schaatsen. Ik denk aan alle mensen die vinden dat ik fantastisch kan schaatsen. En dan zie ik Jaap, zonder klasje. Hij is alleen aan het schaatsen. Even sluit hij zijn ogen. Jaap is zo heerlijk aan het schaatsen dat hij mij niet eens op het bankje ziet zitten met mijn moeder. Jaap komt hier voor de lol.

© Elisa Verkoelen