Bekentenis – een begin

Lelie Danesh

And I have to understand while I’m alive, you hear? Because afterwards it will be too late. – Clarice Lispector, Água Viva

Dit begin is ook mijn eind. Laat ik daarom beginnen te zeggen, dat wat ik was niets meer hoeft te zijn. Dat ik niet, nooit schoenen nodig had, geen haar, geen ogen. Wie ik? Had geen tong nodig, om te spreken voor een gevallen leven. 

En al die tijd kon ik precies zien wat eraan zou komen. Liggend op dit platgeslagen gras, ontbloot, denk ik aan het verlaten kind binnenin mij. Dit kind zocht naar vlees en botten en vond zichzelf gevoed met leegte, zonder twijfels, opgelucht. 

Het dovende licht in de bovenkamer streelt mij. Ik weet dat ik verloren hoor te zijn, toch lijk ik gevonden, door alles wat mij omringt. De dansende armen van de bomen. Gewiegd door een zwakke wind, die trommelt in mijn oren als een klaagzang, daar stolt tot een steek. 

Het ademen, een radeloze klacht, valt zwaar als onaanraakbare jeuk. Desondanks, ben ik heel, lig ik bedekt met modder, bladeren en insectenpis. Op mijn borstkas liggen resterende schrammen van trots en stof. Ik ben nog heel. Ik ben nog heel. 

Hiervoor dacht ik dat ik wist dat ik dacht. Ik weet dat ik gepeinsd heb. En ik herinner me wat voortvloeide uit mij, in die voorgaande jaren, de vreugde die zo volmaakt mij belaagd heeft. Iedere anticipatie op een volgende ochtend, een onverwacht wonder. Is het wat kwam al gekomen? 

Hier ben ik. Ik en mijn, mijn bloed doordrongen handen, tegen mijn borstkas aangedrukt. Is dit alles wat er is aan angst, aan het einde van het licht? Het laatste flikkeren ervan. Ik zie de blauw vlammende kusjes lelijke dikke engelen en grote fluisteringen al neervallen.