In de kijker: tien schrijvers laten zich inspireren door elkaars foto

310

Zeg maar eens nee

Arjen de Wit

Tijdens de afgelopen Vuurlanddag namen alle Vuurlanders een foto mee en gaven die door aan elkaar, zonder erbij te vertellen wat het verhaal bij de foto was. In deze reeks lees je welke teksten ze bij de voor hen onbekende foto hebben geschreven. Deze week: Arjen de Wit schrijft een tekst bij de foto van Aaron Pierens

*

Zeg maar eens nee

Wonen daar mensen?

Ik hou de riemen stil. Golven slaan zacht tegen de buik van de boot. Verderop is een strook land, ingeklemd tussen wolken en water. Alles is grauw. De grijze gebouwen zien er verloren uit, alsof ze zelf ook niet goed weten hoe ze daar terecht zijn gekomen.

Geen idee.

Een eiland, zegt mijn vader. Zijn ogen zijn waterig.

Ik knik.

Ik ben benieuwd, zegt hij, en er volgt een droog hoestje. Hij veegt zijn mond af met zijn zakdoek, die hij daarna weer terugpropt in zijn broekzak. Zijn vingers trillen. Het wordt steeds erger, of is het de kou? We dobberen. Alles dobbert. Nergens is licht.

Laten we kijken, zegt hij, wakker ineens.

Daar?

Hij kijkt me aan. Ja, daar.

Zeg maar eens nee. Misschien is dit de laatste reis samen, misschien niet, zeker is dat zijn lijf alleen nog maar slechter wordt. De riemen raken het water, in, uit, in, het getik over de toppen van de golfjes als ik ze naar voren haal. De gebouwen zijn groter nu. Ik herken ramen, trappen en balkons. Geen beweging, geen licht. Ik hou stil.

Er is niets.

Mijn vader zwijgt. Zijn lippen strak op elkaar, zijn blik op de flats. Een doordouwer, altijd al geweest. Routes door buitenwijken, lusjes over die ene mooie bergpas, mijn moeder met tranen in haar ogen van de pijn aan haar knie.

Pa, zeg ik.

Hij komt niet meer zelfstandig de trap op. Ook niet hier. Zomaar een trap, zomaar een flatgebouw op zomaar een eiland. Zomaar? Er is niemand. Nergens opengescheurde vuilniszakken, nergens verroeste fietsen, nergens plastic kinderspeelgoed waarvan de kleuren wit zijn geworden van het buiten liggen. Maar nieuwbouw is het ook niet. Een stad zonder doel. Jaren geleden hebben de architect en de opzichter tevreden samen een rondje gelopen, de handen op de rug, mooi werk, waarna ze in hun sloep zijn gestapt om het eiland zonder bewoners achter te laten. Nederland voelt ver weg, zelfs de stad aan de overkant van het water is een andere wereld.

Ik wil op reis, zei mijn vader op een dag. Ik was bij hem, zoals ik vier dagen per week bij hem ben: post doornemen, de inhoud van de koelkast checken, boodschappenlijstje maken. Lampje vervangen, schroefje aandraaien. Praten.

Je wilt op reis.

Nu kan het nog.

Ik zweeg, bladerde door het ledenblaadje van Milieudefensie zonder iets te lezen.

Kun jij iets boeken, jongen. Niet te ver, we gaan met de trein. Met z’n tweeën. Misschien een leuke stad in Engeland of Schotland. Nog één keer.

Zeg maar eens nee.

Ook de roeiboot wilde hij per se. Een beetje avontuur, jongen. Hoe zou de stad er vanaf het water uitzien? We hebben een verhuur gevonden. We hebben geroeid (ik heb geroeid). We zagen het eiland. We hebben de roeiboot aangelegd. Een kade met betonnen blokken en roestige meerpalen, de boot bonkend tegen de kant. Ik moest mijn vader het ijzeren trappetje op sleuren, ik grommend, hij vloekend.

Nu zegt hij niets. Zijn raspende adem echoot tegen de muren. Mijn arm onder zijn oksels.
Ik wil dat hij gewoon de trap op loopt. Het kan: de rest van dit verhaal is nog niet geschreven. Waarom zou hij niet straks de trap op dartelen, nee, niet dartelen maar stappen, stappen met rustige passen. Altijd rustige passen, gecontroleerde bewegingen, een hand losjes tegen de leuning. Zo was het.

En dan voel ik me jonger met elke stap, ik grijp naar zijn hand of ik ren alvast naar boven, wie er het eerst is. Lachend, dralend, zoekend naar de glimlach. Wat zou er om de volgende hoek zijn? Ik durf niet. Samen. Samen met jou, papa.

Misschien wil ik hem iets laten zien?

We zijn boven. De zesde verdieping, als ik goed heb geteld. Hij leunt tegen de muur, het schuren is piepen geworden. Ineens weet ik zeker dat hij nooit meer naar beneden komt, dat het hier ergens ophoudt. Dat iets de bedoeling is.

De galerij is net zo verlaten. Voetje voor voetje schuiven we naar de balustrade. Hij pakt de rand met twee handen vast, zo wordt het trillen minder. De aders liggen als wormen op zijn huid. We kijken.

Daar, in de verte op het grijze water, een roeiboot. Een man met een jongen. Een kind nog, met een petje en een rugzak met felle kleuren die hij strak tegen zijn buik geklemd houdt. De man roeit met krachtige slagen. De jongen heeft de rug gebogen, de blik naar beneden. Hij haalt zijn hand langs zijn ogen.

Kijk, zeg ik.

De spiertjes rond mijn vaders ogen bewegen onrustig.

Pa. Kijk.

Ik kijk, jongen.

De man stopt met roeien. Strekt een arm uit naar de jongen. Ik voel een hand op mijn onderarm, onverwacht stevig.

© Aaron Pierens