’s avonds probeer je de tl-verlichte laboratoriumkelder te verlaten
elke aap, ieder knaagdier draag je de trap op mee naar huis
je kent de naam van al wat dof tikkend achter je aan loopt
de groeiende verzameling bijna menselijke silhouetten
vormt golvende patronen op de muur
elke stap blijkt een poging met de aard van het monitorlicht
en het zieke dier te breken
bij elke trede de ogen gericht op het wit dat door de deurkier valt
elektrodes als rozenkrans in de hand
uitkomstmaten bewaar je binnen een glazen reliekschrijn onder de arm
boven in het daglicht worden vraag en antwoord onder de stolp
in een spiraalvormige rij gezet