Vijf klassieke korte verhalen naar het moderne herschreven

15

Gabriel García Márquez

Robin van Ommen

Omdat ik niet zo getalenteerd of intelligent ben als de reuzen in de literaire geschiedenis, vind ik het in mijn vrije tijd leuk – en leerzaam – om op hun schouders te staan door korte verhalen te herschrijven naar moderne versies. Daarbij stel ik vragen: hoe zouden zij omgegaan zijn met digitalisering? Welke woorden hadden ze juist wel, of juist niet, durven schrijven? Welke beeldspraak kan écht niet meer, welke karaktertrekken zijn nog steeds pijnlijk relevant? Wat is zeitgeist, wat is de menselijke natuur zelf? In deze reeks vraag ik aandacht voor het korte verhaal van vroeger en hoop ik een conversatie te voeren over wat tijdelijk en wat tijdloos is.

A Very Old Man with Enormous Wings

Op een stormachtige dag stort er een engel ter aarde, schrijft Gabriel García Márquez (1927). Pelagio, de vader van een ziek kind, vindt de engel in zijn achtertuin en sluit hem op in het kippenhok. Binnen no-time weet het hele dorp ervan en komt de plaatselijke kerkvader een oordeel vellen over of de engel wel voldoet aan de eisen van de katholieke kerk. Dit duurt en duurt, en de engel verliest langzaam al zijn veren. Uiteindelijk, na veel kopzorgen, vliegt het wezen uit zichzelf en zonder hulp weg. Het verhaal schildert een beeld over de mens: hoe die zijn eigen verhalen verkiest boven het objectieve – en dat zelfs afwijst, als de natuur niet voldoet aan onze ideeën.

Het idee van een mythologisch wezen dat opeens ter aarde stort is bizar – net als Márquez’ vileine humor en satire – en meeslepend. Dat wilde ik graag vasthouden. Maar waar het originele verhaal een steek is naar de katholieke kerk, wilde ik klimaatverandering, plastic soup en de politiek aangrijpen. Hoe zou dit wezen tegenwoordig bekend worden?

Lees het originele verhaal hier:
Klik hier!

Vissenstaartsoep

Na het derde potje monopoly zei Eline dat ze ‘gewoon naar Frankrijk hadden moeten gaan’. Hun dochter, op de bank zuchtend vastgeplakt aan haar telefoon, zei dat ze naar huis wilde, papa. Teun stond op, pakte zijn regenjas en sloeg de deur van het huisje achter hem dicht. Ja, hij wist het ook wel. De vakantie in Vlissingen viel in het water. Niets was als geadverteerd: de douchekraan lekte luid in de badkuip, het strand lag vol zwerfafval en het huisje rook naar blauwe kaas. Hij had er ook de pest in; liever was hij op roadtrip door Amerika gegaan – zijn jongensdroom – maar daar was nu eenmaal geen geld voor. Mokkend liep hij over het zeiknatte Nollestrand. Toen hij naar de zee keek, verlichtte een bliksemflits in de verte een silhouet een paar meter van de waterlijn. Een aangespoelde zeehond? Met knarsende hardloopschoenen rende hij naar beneden. Hij vergat plotsklaps zijn zorgen: op het zand lag een oud vrouwtje, met een vissenstaart in plaats van benen, gorgelend naar adem happend vanwege het sixpackhoudertje om haar keel.

Met zijn regenjas over zijn telefoon stuurde hij een foto naar zijn vrouw. Zij reageerde met een reeks vraag- en uitroeptekens. Vijf minuten later stond de familie op het natte strand. De oude vrouw lag erbij als een aangespoelde zeekoe, met vetrollen en gele tanden. Haar enorme borsten werden bij elkaar gehouden door vissersdraad en kampeerservies. Haar staart was slijmerig van het aangekoekte zeewier. Er zaten zuigende kieuwen op de plaats van haar ribben. Ze produceerde allerlei borrelende geluiden – krachttermen, dacht de familie, in een taal waar ze kop noch staart van konden maken. Toch leek ze van de heupen omhoog op een vrouw uit een volkswijk: een lubberende buik en een kortpittig kapsel. Eline, die haar nauwelijks aan durfde te kijken, stelde voor het plastic om haar nek weg te snijden. Nadat Teun terugkwam met een broodmes, was de opzichter van het terrein verschenen. Hij zei dat ze haar het beste konden laten liggen – om er geen heisa van te maken. Maar dat was te laat: nog voor Teun iets kon doen, zag hij zijn dochter, de monopolydoos boven haar kapsel tegen de regen, met uitgestrekte arm een livevideo opnemen. ‘Look what my dad found at the beach. It’s ugly!’ zei de robotstem hakkelend. Op de achtergrond zong een zangeres oh no no no.

De volgende dag wist heel Vlissingen van de zeemeermin. De video van de dochter was binnen een paar uur viraal gegaan. Tegen de wijsheid van de opzichter hadden ze niet alleen het sixpackhoudertje verwijderd, maar ook de vrouw naar het huisje gesleept en het bad vol laten lopen. Terwijl haar kieuwen het water lieten borrelen, hield Teun op de wc-klep de wacht met de broodrooster in zijn handen, klaar om die bij de minste beweging in het water te gooien. Eline stond in de deuropening haar tanden te poetsen. Wat moesten ze nu? Ze besloten de dag daarop Pieterburen te bellen. Of het Dolfinarium. Maar nog voordat ze voor wat croissantjes naar de supermarkt konden, zagen ze dat zo’n twintig mensen op bierkratjes aan de zijkant van het huisje stonden en op het badkamerraam tikten als op het glas van een aquarium.

De dierenbescherming verscheen voor het einde van de middag. Honderdduizend mensen hadden het filmpje bekeken en het was duizenden keren gedeeld. Allerlei instanties waren getagd in de reacties. Tegen de tijd dat de witte bestelbus van de beschermers op kwam dagen, was de meute al uitgegroeid tot boven de honderd: ramptoeristen, influencers met cameraploegen, spirituele dierenfluisteraars, eindtijdpredikers, leden van de Nederlandse afvaardiging van Scientology, een kung-fu-leraar met zijn volgelingen en, natúúrlijk, Jehova’s Getuigen, die de gelegenheid gebruikten om De Wachttoren uit te delen. Dierenactivisten maakten ter plekke borden en spandoeken en riepen dat de zeemeermin teruggeplaatst moest worden. Een stel boeren had het op zich genomen om die links-radicalen met verse haring te bekogelen. Een verslaggever kwam informeren of de zeemeermin iets merkte van de opwarming van de aarde. Een enkeling schreeuwde dat ze ‘terug moest naar haar eigen zee’. 

In de deuropening van de badkamer, kijkend naar de monsterlijke verschijning, ijkte Rutger Hamstra, het gemeenteraadslid van Vlissingen, zijn kansen, nu er opeens een aquatische volksvrouw in een badkuip lag en je er verdomd op kon zeggen dat de oppositie ging roepen dat er intelligent leven in de zee zat. Zou dit geen enorme problemen opleveren voor de visserij, of laat staan, zijn eigen vissersbedrijf? De linkse partijen zouden deze gekte zo aangrijpen om allerlei reguleringen op de visvangst te drukken. Hij keek lang naar de obese bejaarde met slijmerige schubben, die hem het meeste aan een tandbaars deed denken. Haar vettige achterhoofd plakte aan de badrand, haar lobbige staart was te breed voor de badkuip. Het hele huis stonk naar rotte tonijn. Hij schraapte zijn keel, maar wist een paar tellen niets te zeggen. De commotie vreemd, keek het oude vrouwtje de gemeentebestuurder aan, irissen in vissenogen als gebakken eieren en brabbeltaal voortbrengend, dat iets weg had van Afrikaanse kliktaal, het borrelen van een doorluchte radiator en een zuurstofpomp in een aquarium. De gemeentebestuurder, een trotse polyglot, probeerde wat Deens, maar dat verstond de zeemeermin niet. Wetende welke problemen hem boven het hoofd hingen – en aardig wat peentjes zwetend – verklaarde hij aan de menigte buiten dat het ging om een guerrilla-kunstactie. Geen paniek, riep hij, het zou niet lang duren voordat de actie geclaimd werd door een klimaatorganisatie. Toegegeven, ze werden steeds slimmer, maar meer dan een awareness-campagne was het niet. Hij prees het idealisme, sprak van symboolpolitiek en sloot af met het onderstrepen van zijn eigen partijagenda. Daarna verliet hij zo vlug als hij kon de voortuin. Hij stuurde in de auto een smekende e-mail naar de landelijke fractie: dat ze met spoed cultuurbeweging uit de hoed moesten toveren.

Zijn toespraak viel op dove oren. De TikTok-video bleef bovenaan de hitlijsten en was onderhand ook op de NOS en NU.nl-websites te vinden, was voorpaginanieuws op Reddit en stond op Youtube. Op Dumpert schreeuwde men moord en brand. Al met al was er veel heisa, maar wreef de opzichter van het vakantiepark zich in de handen. Hij had nog nooit zoveel huisjes verhuurd. En het leek niet te stoppen. Er waren foodtrucks verschenen voor verse falafel, Vlaamse frieten op de huid, kibbeling en vegan teppanyaki. Er was een man met een koffiebar op een bakfiets aan komen rijden. Het was zelfs zo druk, dat de gemeente Dixie-toiletten en hekwerk installeerde om alles binnen de perken te houden. Het was op dit moment dat Eline, haar vakantiegevoel volledig geruïneerd, op het briljante idee kwam om donaties te vragen voor het, zojuist bedachte, zeemeerminnenfonds.

Er ontstond een Woodstock-achtig festival op het terrein. Er werden grote stellages van zwerfplastic gebouwd, er werden tussen gehuurde huisjes tentjes opgezet, mensen liepen rond in kostuums, kunstenaars vanuit alle hoeken kwamen aanzetten met klei, verf en installaties, dichters spraken in strandtenten, de ene bij kaarslicht, de ander met spoken word, over klimaatverandering. Op een projectiescherm werden documentaires als Seaspiracy en My Octopus Teacher vertoond. Natuuractivisten klommen op huizen, gooiden gekleurde rookbommen, klonken zich aan bomen vast, zongen vissen is moord! en voorbij de duinen lag het schip van Greenpeace voor anker. Ook de spirituele brigade groeide in aantal: er was een vrouw die zei dat ze onderwater was geboren; een man die I Ching met visgraten deed; een astroloog die gespecialiseerd was in het sterrenbeeld waterman. Buiten verkocht de dochter getrokken vissoep van het badwater tegen een kleine vergoeding, In het midden van alle gekte – die het hele terrein in modder veranderde – telden Eline en Teun hun geld op het monopolybord. 

De zeemeermin was de enige die niet meedeed. Zij spendeerde haar tijd in de badkuip, besproeide zichzelf hijgend met een plantensproeier, speelde verward met de douchekop en rook vervreemd aan de douchegelletjes van Eline. Voor de mensen die één voor één met hun geheven telefoons de badkamer binnenkwamen, drukte Teun met de stok van het zolderraam tegen het hoofd van de oude vrouw. Omdat ze niets at, probeerden Teun en Eline haar diepvriesmosselen te voeren, wat volgens de opzichter ‘gewoon moest kunnen’. Maar ze weigerde. Eigenlijk weigerde ze alles, net als de kibbeling met hollandaisesaus, de smoothies van spirulina en zeekraal en de haring met uitjes. Het enige wat ze at, waren bekers en bekers zoute stengels. Daar was ze content mee. Alleen toen iemand voor de grap een plastic rietje tussen de zoute stengels had gedaan, waar het oude vrouwtje bijna in stikte, begon ze met zo’n geweld rond te spartelen en bracht ze zo’n klotsend, rochelend geluid voort, dat de badkamer die dag gesloten bleef.

De gemeentebestuurder kwam elke dag in ijdele hoop kijken of dat monster eindelijk de geest had gelaten. Tot zijn schrik groeide de meute elke dag, werden er steeds uitdagendere spandoeken opgehangen en, het ergste nog wel, bemoeiden steeds grotere milieuorganisaties zich met het geval; de meest directe toegangsweg was door Extinction Rebellion geblokkeerd, waardoor hij zijn chauffeur helemaal om had moeten laten rijden. Ongeduldig wachtte hij op bericht van de landelijke partijfractie, maar een besluit bleef uit; wel was er naar verluidt een werkgroep opgezet, die samen met een consultant van een onafhankelijk bedrijf een adviesrapport op zou stellen over een aan te nemen plan van aanpak, die dan door een nog op te stellen adviescommissie beoordeeld zou worden. De premier hield er tot nu toe zijn handen vanaf – want er waren grotere problemen dan een, ja, ‘zeemeermin’. Als hij ernaar gevraagd werd, had hij er geen actieve herinneringen aan. Wel werd de gemeentebestuurder bestookt door lobbyisten van tegelijk de fossiele industrie (of deze oudere bejaarde iets kon doen tegen de bouw van windmolens op de Noordzee) en de visserij (of ze alvast een hernieuwde vergunning aan konden vragen voor grote vangsten).

Na een week of twee was het terrein zo’n bende geworden, dat je er niet meer kon rondlopen zonder te struikelen over verlaten tenten, vuilniszakken, dronkelappen en weggeworpen plastic. Om de aandacht van het voorval af te leiden, bedacht het marketingkantoor van Coca-Cola een strategie waarbij ze tegelijk een zandsculptuur voor de zeemeermin liet bouwen, een grootschalige beach clean-up organiseerde en een aardige donatie deed aan een start-up die een nieuwe techniek had ontwikkeld voor het opruimen van de Noordzee. Tegelijk zorgde ze er met branded content voor dat er allerlei nieuwsartikelen verschenen over het bestrijden van de acties van de betrokken milieuorganisaties, waardoor ze in een slecht daglicht werden gesteld. Er werden in heel Nederland fikse meningsverschillen uitgevochten, aan de keukentafel, in de politiek en online. Langzaam zwakte het activisme van de meeste mensen – die ook graag weer normale douche wilden kunnen nemen – af. Alleen de harde kern bleef. Met het verdwijnen van al die mensen vertrokken ook de influencers, de verslaggevers en pakten de muzikanten, kunstenaars en horecagelegenheden bij gebrek aan publiek de biezen, waardoor het terrein, los van een aantal hardnekkige hippies, er snel verlaten uitzag. 

De familie plofte opgelucht aan de eettafel en boekten die avond nog een volledig verzorgde roadtrip door Amerika in een veertien meter lange motorhome, dat ze betaalden met het verdiende geld, waarna er nog net genoeg over was voor een bescheiden donatie aan het WNF, waarmee ze hun schuldgevoel af kochten. Bij het plannen onderstreepte Eline de wens alle kustplaatsen te vermijden en vooral bossen, berggebieden en canyons te bezoeken. De zeemeermin werd in het vuile badwater gelaten, dat bij het constante klotsen over de badrand op de muren was aangekoekt. De dochter spoot bussen luchtverfrisser leeg tegen de stank. De vloer lag bezaaid met lege zoutestengelverpakkingen, die niemand meer opruimde. De dikke vrouw at niks meer en werd steeds grijzer en bleker. Er was een schimmelachtige uitslag op haar buik was ontstaan. Op de laatste dag van de vakantie lag ze stil in de badkuip. De schimmelplek zat vol maden. Teun waste haar uit medelijden met een lange wasborstel, maar dat hielp niet veel. 

Net voordat ze hun spullen wilden pakken, wees de opzichter hen op de schoonmaakkosten en de borg van het huisje, en dat zo lang die dikkert nog in de badkuip zat, hij hen een week extra ging laten betalen. Eline belde een aantal slagers en visafslagen, maar niemand wilde de monstruositeit overnemen. Pieterburen zei enkel iets te doen met zeehonden en het Dolfinarium, dat al onder vuur lag, durfde het niet aan. Wanhopig voor nog meer kosten, nam Teun een grote schop en groef een kuil op het strand, helemaal tot de zandsteenlaag. Met geweld sleepte de familie de lobbige vrouw terug over de duinen, waarna ze haar in de kuil kieperden. Met allesreiniger en mondkapjes maakten ze de badkamer schoon, en lieten een paar tientjes achter voor de opzichter om de rest goed te maken. Daarna keerden ze Vlissingen opgelucht voorgoed de rug toe. 

Dagen later, nadat de storm was gaan liggen, tuurde de opzichter hijgend over het strand, dat vol lag met verwassen flessen frisdrank en motorolie, slippers en schoenen, vissersnetten, allerhande huishoudartikelen, afgebroken kunststof onderdelen en autobanden. Tussen het afval zag hij ontelbare sporen van kinderhanden en -benen, die zich een weg door het afval hadden gebaand als het kroost van een zeeschildpad. De zeemeermin was verdwenen. De opzichter trok de rechtopstaande schop weer uit het zand, keek naar de vissersschepen op de horizon en ging daarna door met het dichtgooien van het gat, zich niet bekommerend of het een zeegraf was, of een een strandkuil, gegraven door kinderen van badgasten met als doel tot de kern van de aarde door te dringen, en dat uiteindelijk slechts enkele meters diep was.